23 oktober 2009
Versoepeling stamrecht in eigen beheer
De Wet LB 1964 biedt directeur-grootaandeelhouders (hierna: dga’s) als bedoeld in de Pensioenwet de mogelijkheid om pensioen in eigen beheer op te bouwen. Dat wil zeggen dat de uitvoering van de pensioenregeling niet plaatsvindt door een professionele (pensioen)verzekeraar, maar dat zij plaatsvindt door een ander lichaam. Het kan dan gaan om een lichaam dat ook de materiële onderneming van de dga drijft (intern eigen beheer). In de praktijk vindt de uitvoering van de pensioenovereenkomst met de dga veelal plaats door een afzonderlijk, door diezelfde dga beheerd pensioenlichaam, vaak de persoonlijke holdingvennootschap, een afzonderlijke pensioenvennootschap of een pensioenstichting (extern eigen beheer). In voorkomende gevallen wordt (een deel van) de aan dat pensioenlichaam betaalde pensioenpremie vervolgens weer teruggeleend aan het lichaam dat de materiële onderneming drijft. De pensioenopbouw in eigen beheer voorziet hiermee in de maatschappelijke behoefte dat premies ten behoeve van het pensioen voor de dga kunnen worden gebruikt voor de financiering van de onderneming.
Aan het opbouwen van een pensioen in eigen beheer stelt de Wet LB 1964 verschillende voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat het eigen-beheerlichaam in Nederland is gevestigd. Voorts dient de opgebouwde pensioenverplichting voor de heffing van de vennootschapsbelasting door het eigen-beheerlichaam te worden gerekend tot het binnenlandse ondernemingsvermogen.
Met betrekking tot genoemde twee voorwaarden bestaat twijfel over de verenigbaarheid daarvan met de vrijheid van vestiging als bedoeld in het EG-Verdrag en de EER-Overeenkomst. Het kabinet acht die twijfel ongewenst. Om die reden laat het kabinet voortaan ook eigen-beheerlichamen die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, of in een bij ministeriële regeling aangewezen andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, als pensioenverzekeraar van een dga toe. Hierbij geldt de voorwaarde dat de pensioenverplichting ook wordt gerekend tot het binnenlandse ondernemingsvermogen van die lidstaat onderscheidenlijk staat (hierna: EU/EER eigen-beheerlichamen).
Voor deze EU/EER eigen-beheerlichamen zullen vanzelfsprekend dezelfde uitgangspunten gaan gelden als voor binnenlandse eigen-beheerlichamen. Dat betekent allereerst dat de EU/EER eigen-beheerlichamen – net als de in Nederland gevestigde eigen-beheerlichamen – rechtens en feitelijk moeten zijn onderworpen aan een belasting naar de winst. Het lichaam moet hierbij aannemelijk maken, onderworpen te zijn aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Om voor EU/EER eigen-beheerlichamen een soortgelijk stelsel van fiscaal toezicht te realiseren, voert het kabinet voor deze lichamen bovendien een aanwijzingsregeling in die overeenkomt met de reeds bestaande regeling op grond waarvan pensioenfondsen en lichamen die bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefenen, worden aangewezen indien zij de pensioenverplichting niet tot Nederlands ondernemingsvermogen rekenen. Op grond van de voorgestelde regeling moet het aan te wijzen eigen-beheerlichaam zich tegenover de inspecteur verplichten: (i) te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling en de bepaling van de winst van het lichaam, en (ii) ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaarden voor de invordering van de belasting die door de dga is verschuldigd en die alleen wordt ingevorderd bij bepaalde met name genoemde onregelmatige handelingen ter zake van het pensioen (zoals afkoop).
Het kabinet is van oordeel dat door bovenstaande uitbreiding van toegelaten aanbieders met EU/EER eigen-beheerlichamen niet voor twijfel vatbaar is dat de regeling voor pensioen in eigen beheer voldoet aan de eisen die het Europese recht stelt aan de vrijheid van vestiging. Bovendien wordt door de aanwijzingsregeling, met de daaraan verbonden verplichtingen in het kader van inlichtingen en aansprakelijkheid, en de eis van materiële onderworpenheid aan een belasting naar de winst, naar verwachting van het kabinet voldoende gewaarborgd dat de bij deze lichamen ondergebrachte pensioenen – in termen van de Wet LB 1964 – op regelmatige wijze worden afgewikkeld. Niettemin zullen de nieuw toegelaten aanbieders de komende periode door de Belastingdienst nauwlettend worden gevolgd. Ingeval de genomen maatregelen in het kader van toezicht en naleving van de in de Wet LB 1964 gestelde eisen onvoldoende blijken te zijn, dan zal de voorgestelde regeling voor pensioen in eigen beheer worden heroverwogen.
De Wet LB 1964 sluit voor de toegelaten aanbieders van loondervingstamrechten (bijvoorbeeld voor ontslagvergoedingen) aan bij de groep lichamen die als pensioenverzekeraar kunnen optreden. Ook ten aanzien van het huidige wettelijk systeem rondom stamrechten in eigen beheer bestaat, gelet op het voorgaande, twijfel over de verenigbaarheid daarvan met de vrijheid van vestiging. Om ook hier alle twijfel weg te nemen, zal de hiervoor beschreven wijziging voor pensioenlichamen mutatis mutandis eveneens worden doorgevoerd voor stamrechtlichamen.
Ten einde te voorkomen dat belastingplichtigen gebruik zouden gaan maken van de mogelijke onverenigbaarheid van de huidige regeling met het Europese recht, wordt voorgesteld aan de regeling terugwerkende kracht te verlenen tot aan de dag van indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Bij de afweging om terugwerkende kracht voor te stellen is voorts nog in de overweging betrokken dat de voorgestelde regeling gunstiger is dan het huidige regime voor pensioen in eigen beheer.

